Select Page

Overheid, influencers en hashtags vechten online discriminatie aan

Landelijk kennisinstituut Movisie heeft vandaag zijn nieuwe campagne, genaamd #datmeenjeniet, gelanceerd. Hiermee hoopt de organisatie online hate speech tegen te gaan. De actie heeft een speciale rol weggelegd voor influencers, maar baseert haar slagingskans op een alternatieve werkwijze. 

Movisie wil, in samenwerking met Diversity Media en Hogeschool Inholland, met de hashtag duidelijk maken wanneer een opmerking niet van deze tijd is. Dit is niet het enige wat zij doen om kwesties zoals racisme en seksisme verleden tijd te maken. De komende tijd gaat het kennisinstituut aan de slag om van ‘bystanders’ op sociale media ‘upstanders’ te maken. Movisie: ‘’De reacties van omstanders bij discriminatie zijn erg belangrijk. Zo past de dader mogelijk zijn reactie aan, voelt het slachtoffer zich gesteund en wordt er een sociale norm gecommuniceerd waaruit blijkt dat online discriminatie niet normaal is.’’ Ook voor influencers is een rol weggelegd. Om extra kracht bij de campagne te zetten poseren zij in een shirt met de hashtag #datmeenjeniet. Séna Zeewijk, onderzoekster bij TMI, legt uit waarom dat zo belangrijk is. ‘’Omdat jongeren veel op sociale media zitten, nemen ze sneller iets aan van iemand die een bekend gezicht is op dat platform in plaats van de ouders.’’

Online hate speech is een vorm van laster dat online plaatsvindt. Dit kan betrekking hebben tot racisme, seksisme, homofobie en andere vormen van discriminatie.

Upstanders

Of deze alternatieve aanpak ook succes gaat hebben moet nog blijken. Joline Verloove, projectleider van #datmeenjeniet: ‘’We geven de ‘upstanders’ verschillende workshops en daarin leggen we uit wat we wél weten uit onderzoek. Dit project wordt tussendoor geëvalueerd en daarmee willen we kijken wat het beste werkt en of de sociale norm wordt overgenomen door volgers.’’ Verloove: ‘’Het doel is dat we jongeren iets kunnen bieden waarbij ze meer leren over in actie te komen tegen discriminatie.’’

Onderzoek

Waarom haatdragende woorden online makkelijker de overhand hebben, is voor het kennisinstituut zelf ook niet helemaal duidelijk. Verloove: ‘’Sociale media is vrij anoniem. Dat maakt dat mensen wat sneller gewaagde en negatieve opmerkingen plaatsen. Je weet ook niet hoe iemand anders zich gedraagt als je een tegenreactie geeft.  Sommige mensen vinden het ook lastig om discriminatie te herkennen, zeker als het gaat om seksistische opmerkingen die vaak als grapje worden gezien.’’ Idealiter hoopt Movisie over drie jaar, los van minder online hate speech, genoeg kennis te hebben om een lesprogramma voor jongeren op te zetten.  

Overheid

Dat discriminatie niet alleen racisme inhoudt, weet Séna Zeewijk als geen ander. Zij doet in opdracht van het Ministerie van Justitie en Veiligheid ook onderzoek naar online hate speech. Zeewijk: ‘’Doordat jongeren zoveel met elkaar in aanraking zijn in de online wereld lossen zij discriminatieproblemen liever onderling op. Ze zijn als het ware een beetje gewend aan een bepaald vocabulair en kijken minder snel van opmerkingen op.  Ze hebben geen raakvlak met hun ouders wat dat betreft.’’ Het doel van TMI’s samenwerking met de overheid is onder andere om tussen de zesduizend en achtduizend leerlingen te kunnen informeren over dit onderwerp. Met name een expliciete focus op antisemitisme springt eruit. Zeewijk: ‘’We zitten nu in de ontwikkelingsfase van onze online hate speech module en willen binnenkort naar scholen gaan om ons lespakket te presenteren. Begin volgend jaar willen we beginnen we met het daadwerkelijk toepassen in de verdiepende lesweken van TMI.’’